Sjaak van der Velden

Eigengereid Historicus, gepensioneerd maar nog niet in ruste

Mijn Blog

Blog

view:  full / summary

Polderen of strijden in de vakbeweging

Posted on 20 December, 2013 at 8:54 Comments comments (8)
 
Sommige zaken staan voor bepaalde mensen vast. Die geloven in eeuwige waarheden of passen zich in ieder geval naadloos in op de gebaande wegen. Daar probeer ik los van te komen. Op deze plaats zal ik eens in de maand een blog plaatsen over iets wat me bezig houdt en waar ik niet meer precies van weet, wat ik ervan moet vinden.
 
Het lijkt misschien een oude discussie omdat de rust in de FNV is weergekeerd na de verkiezing van Ton Heerts en de uitvoering van de plannen voor een structuurwijziging. Toch is de vraag die het debat al jarenlang beheerst nog steeds actueel. In november mocht ik over de historische dimensie van dit onderwerp een lezing geven voor een groep bestuurders van FNV Bondgenoten. Deze lezing heb ik bijgewerkt tot de volgende tekst waarin ik een vraagstuk behandel dat binnen de vakbeweging vanaf het ontstaan een belangrijke rol heeft gespeeld. Moet de vakbeweging strijd leveren of Polderen? Of misschien beide? En wat over de bond als sociale ANWB?
 
Twee bronnen
 
In de beginperiode putte de vakbeweging uit twee bronnen. Aan de ene kant de onderlinge hulp van mensen en aan de andere kant strijdbaarheid. Er ontstonden organisaties van vooral geschoolde werklieden waarvan de leden voor elkaar zorgden als er zich situaties voordeden waaraan een individu niet makkelijk het hoofd zou kunnen bieden. Denk hierbij aan ziekte, ouderdom en dood. Als een lid van zo’n fonds, of zoals ze toen vaak werden genoemd ‘bus’ of ‘bos’, ziek werd of overleed, dan zorgde financiële steun uit de ‘bus’ dat het inkomensverlies (gedeeltelijk) werd opgevangen of dat er geld was voor een fatsoenlijke begrafenis. Deze regelingen waren nodig omdat de oude zelfhulp uit de gilden verboden werd door de Franse revolutie. Die revolutie had als leus Vrijheid, Gelijkheid, en Broederschap maar betekende vooral ook dat de vrije markt zijn werk moest kunnen doen. En daar hoorden geen gilden bij die immers niet alleen voor hun leden zorgden, maar ook de plaatselijke economie (productie, lonen, prijzen) reguleerden. En zo werd met het badwater ook het kind weggegooid en waren er aan het eind van de negentiende eeuw minder mensen met een goede oudedagsvoorziening dan honderd jaar eerder.
Werklieden probeerden dat verlies dus met eigen organisaties op te vangen. Er waren diverse patroons of bazen die zulke clubs financieel steunden. Het was namelijk voordeliger om af en toe de pot te vullen dan de lonen te verhogen. Maar aan die steun zat wel een grens. Toen een van de fondsen ook werklozen wilde gaan steunen, was het gedaan met de vriendelijkheid. Kijk steun aan een zieke of dooie dat kon er wel vanaf, maar steun aan werklozen? Die mensen zijn toch te lui om te werken? Die ga je toch niet helpen! Dan wordt het een ‘luiaardsfonds’.
De mannen van het Amsterdamse Onderling Hulpfonds: Boekdrukkunst die wel voor steun aan werklozen waren, legden het hoofd echter niet in de schoot. Ze bedachten dat ze dan maar hogere lonen moesten eisen. Zij zagen in dat werkloosheid in de meeste gevallen geen vrije keuze is, maar het gevolg van economische wetmatigheden. Zo gingen zij bijna noodgedwongen het pad van een vakbond op. Het probleem was echter dat in gezamenlijkheid vragen om hoger loon bij wet was verboden door een bepaling in de Code Pénal, het coalitieverbod. Het is maar goed dat gedogen erg diep ingebakken zit in het Nederlandse justitieel apparaat want in de praktijk zijn er nooit mensen voor de rechter gesleept vanwege het oprichten van een vakbond en het stellen van een looneis. De dode letter van de wet werd in 1872 zelfs afgeschaft. Maar voor het zo ver was, durfden veel werklieden toch niet zomaar hoger loon te vragen/eisen.
Naast de fondsvorming onder handwerkers die langzaam de richting van een vakbond werd opgedrongen, was er aan het begin van de negentiende eeuw sprake van een aantal grote stakingsbewegingen onder vooral ongeschoolde grondwerkers. Ook deze stakingen vielen onder het coalitieverbod, maar ook deze werden gedoogd. De grondwerkers, de mannen die de kanalen groeven en wegen aanlegden, gingen geen blijvende banden met elkaar aan. Ze werkten, staakten soms en vertrokken dan weer naar de volgende klus. Het oprichten van een ‘voortdurend verbond van loonarbeiders, ten doel hebbende hunne arbeidsvoorwaarden te handhaven en te verbeteren’ zoals het Engelse echtpaar Webb een vakbond later zou definiëren, lag voor deze dagloners niet voor de hand. Zij trokken immers van karwei naar karwei wat het moeilijk maakte zich bij een organisatie ter plaatse aan te sluiten.
Terwijl geschoolde arbeiders zich steeds meer in vakbondachtige organisaties verenigden, zou het nog tot het eind van de eeuw duren voordat ook ongeschoolde arbeiders die stap zetten. Geïnspireerd door het voorbeeld en met steun van hun mede arbeiders richtten toen ook grondwerkers, havenarbeiders en andere groepen ongeschoolde werkers vakbonden op. Hun wapen bleef echter vooral het spontaan, buiten de leiding van de bond om, neerleggen van het werk. Iets wat bij de bondsleiders vaak tot fikse hoofdpijn leidde.
 
Hervorming of Revolutie?
 
Nu was er nog iets bijzonders aan de hand met de vakbeweging. Na de opheffing in 1872 van de Nederlandse afdeling van de socialistische Internationale waren vakbonden een toevluchtsoord geworden voor socialisten. Hun eigen organisatie had het niet gered en daarom werden socialisten massaal actief in de vakbeweging. Bij dat woord massaal moet men zich overigens niet te veel voorstellen, want het ging hier om vermoedelijk niet meer dan enkele tientallen mensen. Maar wel mensen die met een bepaalde gedachte hun activiteiten ontplooiden. Zij wilden een eind maken aan het kapitalisme en begrepen dat als er een groep was die dat daadwerkelijk voor elkaar zou kunnen krijgen, het de arbeidersklasse was. Dus actief zijn in de organisaties van die arbeiders was het devies. Socialisten namen zelfs het initiatief tot oprichting van de eerste echte vakcentrale, het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS) dat in 1893 werd opgericht.
Iedere staking werd gezien als een soort voorbode van de grote socialistische revolutie waar het groepje activisten op wachtte. De werkelijkheid was echter heel wat weerbarstiger. De meeste arbeiders werden niet eens lid van een vakbond (van de 1,3 miljoen arbeiders die Nederland in 1896 telde waren er bijna negentienduizend lid van het NAS en nog enkele duizenden van niet bij het NAS aangesloten onafhankelijke bonden) en zaten ook niet op een revolutie te wachten (het protestantse Patrimonium had in 1896 ongeveer 13.000 leden en dan waren er ook nog katholieke bonden).  Een loonsverhoging, werktijdverkorting, betere woningen, sociale wetgeving, dat waren de zaken waar de meeste mensen wel heil in zagen. En als het even kon zonder daarvoor te staken, want een staking is voor stakers meestal geen pretje. Weinig of geen inkomen, ruzie met partner of collega’s, en de dreiging van ontslag zijn een paar van de zaken die een staker op zijn of haar weg tegen kan komen. Dat was voor een aanzienlijk deel van de vakbeweging reden om een andere weg in te slaan. Die stroming zette in op verbetering van het leven in het hier en nu, met in het achterhoofd de nog wel levende gedachte dat er ooit misschien een revolutie uit zou breken. Deze hervormers/reformisten waren succesvol. Toen ze in 1906 een eigen vakcentrale oprichtten, overvleugelde deze in enkele jaren alle andere centrales (in 1910 al ruim 40.000 leden, meer dan de andere centrales bij elkaar). Dit Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) stond vanaf dat moment model voor alle vakbonden. Strak georganiseerd, strijden als het moet maar als resultaat met overleg kan worden bereikt dan liever dat, een strijdkas, betaalde bestuurders en contact met de politiek om sociale wetgeving voor elkaar te krijgen. Daarnaast begaf het NVV zich op het terrein van woningverbetering, had het bibliotheken voor de zedelijke verbetering van de arbeiders, waren er zangclubs en muziekkorpsen, vakantieoorden, inkoopverenigingen en verzekeringen. Ook werden leden individueel bijgestaan die conflicten hadden met werkgevers of huisbazen via de Bureaus voor Sociale Adviezen. Kortom, het NVV (in samenwerking met de SDAP) was de perfecte synthese tussen de beide wortels van de vakbeweging, onderlinge hulp en strijd. En die revolutie waar kleine groepjes nog van droomden? Ach, die zou wel komen al verdween dat idee steeds meer naar de achtergrond.
 
Ingroei
 
Gaandeweg de twintigste eeuw werd de vakbeweging opgenomen in allerlei sociaaleconomische instituties. Het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten (cao) werd wettelijk geregeld, de vakbeweging speelde een rol in de werkloosheidsvoorziening, in 1919 kwam de Hoge Raad van Arbeid tot stand (een soort voorloper van de SER maar met minder bevoegdheden) en in 1937 werd zelfs geregeld dat de minister afgesloten cao’s voor de hele bedrijfstak geldig kon maken. Nu is het niet zo dat deze ontwikkeling geleidelijk en zonder problemen plaatsvond. Weliswaar paste ze goed in de confessionele ideeën over een organische samenleving waar vakbonden in een corporatistisch stelsel een grote rol spelen. Maar er waren ook tegenkrachten. De instelling van de Hoge Raad van Arbeid kan niet los worden gezien van de revoluties en opstanden van vlak na de Eerste Wereldoorlog en was duidelijk een poging om de verhitte gemoederen wat te temperen.
Hoe dan ook, de vakbeweging werd meer en meer een geaccepteerde en ook gewaardeerde speler. Juist de vakbonden zorgden er namelijk voor dat de werkgevers en de overheid een betrouwbare gesprekspartner hadden. Dat was een van de redenen dat binnen de vakbeweging, ook binnen het NVV, niet iedereen gelukkig was met deze ontwikkeling. Dat bleek al bij de behandeling van de wet op de cao van 1907. Tijdens een cao kan en mag er niet worden gestaakt en grote groepen zagen dit als een aantasting van het stakingsrecht. Binnen het NVV werd zelfs een comité opgericht tegen deze wet, maar het was een achterhoedegevecht.
Na de oorlog raakte de ontwikkeling naar ‘ingroei’, zoals de geschiedschrijver F. de Jong dit bij het halve eeuwfeest van het NVV zou noemen, in een stroomversnelling. De heersers in de Westerse wereld waren bang dat er na de oorlog weer revoluties zouden uitbreken en erkenden dat de invloed van de staat op de economie blijvend groot moest zijn. Daarbij begrepen ze dat dit alleen zou werken als de officiële vertegenwoordigers van de arbeiders,  zoals de vakbeweging, ook een rol zouden spelen in die economie. In alle landen was de uitwerking van het naoorlogse systeem anders, gegeven de krachtsverhoudingen en de bestaande instellingen. In ons land bouwde men voort op wat al bestond. Er kwam een Stichting van de Arbeid voor landelijk overleg tussen vakbonden en werkgeversorganisaties en daarnaast werd de Hoge Raad van Arbeid opgevolgd door de SER. Belangrijk in die jaren was de geleide loonpolitiek. Door de regering werd bepaald hoe veel de lonen mochten stijgen en cao’s werden daarom eerst voorgelegd aan een nieuw College van Rijksbemiddelaars. De erkende vakcentrales waren zeer tevreden met het systeem. Eindelijk kregen zij de erkenning waar leiding en leden al bijna 80 jaar naar hunkerden. De gematigde loonstijgingen werden op de koop toe genomen. Sterker nog, die werd gezien als een goede methode om hoge werkloosheid en een herhaling van de vooroorlogse ellende te voorkomen. In het nieuwe systeem werden trouwens de radicalere vakbonden buitenspel gezet. De ‘erkende’ bonden die wel mee mochten doen, legden zich, trots als ze waren op het bereikte, volledig neer bij de regeringspolitiek. Strijden verdween uit beeld en de vakcentrales werden echte vergader- en overlegmachines.
 
Identificatie met het systeem
 
De top van de vakbeweging leefde in de veronderstelling dat strijd voeren niet meer nodig was. De ingroei leek voltooid en met goed overleggen en onderhandelen kon vrijwel alles worden bereikt. Veel van de taken die de vakbeweging voorheen op zich had genomen in de sfeer van verheffing en verzekering hoefde ze ook steeds minder uit te voeren omdat de overheid die op zich nam. Binnen die sociale zekerheidsinstellingen speelden vakbondsbestuurders dan weer wel een belangrijke rol.
De macht van wat later de ‘polder’ zou gaan heten werd in 1952 extra versterkt met de invoering van de Organisatiewet Sociale Verzekeringen (OSV). De OSV legde de structuur vast waarin de uitvoering van werknemersverzekeringen in handen kwam van bedrijfsverenigingen. Deze waren naar bedrijfstak georganiseerd en hadden een bestuur dat bestond uit vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers. Sinds 1929 was dit al het geval bij de Ziektewet, maar dit werd ook de regel bij de andere werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (1953) en de Wet op de Arbeidsongeschiktheid (1967). Toezicht op het hele stelsel van sociale verzekeringen kwam in handen van de Sociale Verzekeringsraad (SVR). Deze Raad leek qua tripartiete samenstelling op de SER.
Het is dus niet zo raar dat de vakbondsleiding enigszins zelfgenoegzaam dacht achterover te kunnen leunen. Toen gooiden de leden echter roet in het eten, want die waren eind jaren vijftig de geleide loonpolitiek beu. De lonen in Nederland behoorden tot de laagste van Europa en ondanks de uitbouw van sociale voorzieningen zoals de AOW wilden veel mensen ook wat meer geld in het loonzakje. Een stakingsgolf rond 1960 toonde aan dat het met de strijd nog niet echt was gedaan. De bondsbestuurders begrepen dat ze mee moesten buigen met de hernieuwde strijdfase, maar erg van harte ging het niet. De voet bleef stevig op de rem en in de jaren zestig was er vrijwel geen staking die door een vakbond was uitgeroepen. Dat moest fout gaan. Mensen werden ontevreden en toen bleek dat het ook mogelijk was om met wilde stakingen grote verbeteringen te bereiken, was de beer los. In 1970 ging er een stakingsgolf over het land, en alweer vrijwel geheel buiten de vakbonden om. De leden waren boos, niet alleen op de eigen baas of de regering, maar ook op de vakbondsbestuurders. Die werd verweten dat ze sigaren rookten met de baas, en niet meer naar de leden luisterden.
De bondsbestuurders begrepen dat het zo niet langer kon. De leden liepen weg en waren boos en daarmee ondergroeven ze de macht van de vakbeweging. Staat en werkgevers wilden graag overleggen met de bonden maar alleen als ze hun leden in bedwang hielden. Als dat niet het geval was, dan had overleg met de bond niet veel nut. In zeer korte tijd radicaliseerde de vakbeweging en riep op tot grote stakingen in de bouw en de industrie. Sommige bestuurders riepen op tot verregaande maatschappijhervorming en joegen de tegenstanders behoorlijke schrik aan. De jaren zeventig leken in niets op de jaren vijftig en zestig: de vakbeweging leerde weer te strijden.
Tot de werkloosheid weer sterk opliep. In tijden van hoogconjunctuur is het makkelijk om radicaal te zijn, maar als de werkloosheid oploopt dan bedenken de meesten zich wel even voor ze de strijd aangaan. Het nieuwe optimisme over een andere maatschappij verdween weer uit de vakbeweging en bestrijding van de werkloosheid, desnoods door loonmatiging, werd weer belangrijk. Met het akkoord van Wassenaar in 1982 keerde de gematigde loonpolitiek terug. Nu echter niet door staat geleid, maar als vrijwillige aanpak door de bonden. De vakbeweging werd naar deze praktijk steeds meer een polderende of overleggende vakbeweging. Uiteraard hoort overleg met de tegenstander ook al sinds de begindagen van de vakbeweging tot de kernactiviteiten want zonder overleg is het niet mogelijk om een akkoord te sluiten. Maar het gaat hier om prioriteiten. Is het overleggen met de tegenstander belangrijker of is dat het overleg met de eigen leden?
Ondertussen herstelde het kapitalisme zich uit de crisis van de jaren zeventig en tachtig. Door aanvallen op de welvaartsstaat en de lonen kwam een daling van de loonquote (het aandeel van de lonen en salarissen) in het nationaal inkomen tot stand. Er waren wel acties tegen de ergste uitwassen zoals een daling met 3,5% van de ambtenarensalarissen en de uitkeringen maar in grote lijnen ging de vakbeweging akkoord met als hoogtepunt ‘Wassenaar’. De daling van de loonquote lijkt prettig voor het kapitaal maar is het vooral voor afzonderlijke ondernemers. Het systeem als totaal ziet liever dat de mensen wat te besteden hebben. Daar vond men wat op. De kredietfaciliteiten werden verruimd. Iedereen een eigen huis met hypotheek en als je wat wilt hebben, dan koop je dat gewoon met een rekening-courant of creditcard. Banken en overheid faciliteerden en de bevolking stonk erin. Gedragen door krediet, stijgende beurskoersen en de opkomst van internet leek het systeem aan een ongekende groei te beginnen. Sommigen beweerden in die tijd met droge ogen dat er een nieuwe economie onderweg was. Onbegrensde groei in ruil waarvoor de mensheid bijna niet meer hoefde te werken. Dat leek iedereen wel wat. In werkelijkheid zat de kapitalistische wereld in een tombola van zich volzuigende en vervolgens weer leeglopende illusies. Tot de zeepbel definitief klapte omdat er meer geld in omloop was dan wat daar in daadwerkelijke productie tegenover stond. Overheden en bedrijven ontslaan weer een hoop mensen en proberen net als in de vorige cyclus te bezuinigen op de gewone mensen. Ze willen als het ware afmaken wat is mislukt in de jaren tachtig. Ze voelen zich daarbij ook nog gesteund door het feit dat het zogenaamde alternatieve systeem achter de Muur in 1989 (precies twee eeuwen na de Franse revolutie en honderd jaar na de oprichting van de Tweede socialistische internationale) roemloos door zijn hoeven is gezakt.
 
De vakbeweging verdeeld
 
Binnen de vakbeweging werd het voor steeds meer mensen onduidelijk wat ze te doen stond. De rol van mensen die een andere maatschappij voorstonden, werd steeds kleiner. Als de economie inderdaad eindeloos zou groeien, dan restte toch slechts het op individuele basis ondersteunen van mensen die problemen ondervonden met de veranderingen? Moest de vakbond niet een soort Sociale ANWB worden om mensen met pech te helpen? Weg met het image van actievoerders die met rare petjes op hun hoofd het Malieveld bezetten, dat vonden ze maar ouderwets gedoe. Naast op centraal niveau overleg voeren over collectieve arbeidsovereenkomsten en landelijke sociaaleconomische politiek ging het er nog slechts om het individu in noodsituaties te redden. Dat die problemen een sociale achtergrond kunnen hebben, werd uit het oog verloren. Had mevrouw Thatcher het al niet gezegd? Er bestaat geen maatschappij, alleen individuen en gezinnen. Punt uit.
Ook de rol van de vakbonden in de sociale zekerheid kwam onder druk te staan. De structuur van sociale verzekeringen die sinds 1952 had bestaan werd begin jaren negentig omgegooid. Bestuur en uitvoering werden gescheiden en de Sociale Verzekeringsraad verdween. Ze werd vervangen door het onafhankelijke College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV), waar geen vakbonden of werkgeversorganisaties meer in zitten. Het was gedaan met de rol van de sociale partners. Ze werden op afstand gezet ten gunste van eerst de staat en uiteindelijk volgde waar mogelijk privatisering.
Zoals ook in het bedrijfsleven werd gefuseerd, zo gingen ook diverse bonden samen. Toen in 1998 FNV Bondgenoten tot stand kwam, schreef de Volkskrant: ‘Eigenlijk zijn overlevingsdrift en bezuinigingsdrang samen de drijfveren voor de fusies van de FNV Dienstenbond, de Voedingsbond FNV, de Vervoersbond FNV en de Industriebond FNV tot FNV Bondgenoten. Bezuinigingen moeten worden gehaald uit schaalvergroting. Over de nieuwe aanpak heeft de FNV tien jaar gediscussieerd. Startsein was het overlevingsplan FNV 2000 uit 1988. Háált de FNV 2000, was toen de cruciale vraag. De leden liepen nog bij bosjes weg. Na de val van de Berlijnse Muur sloeg ook bij de FNV de verzakelijking toe. Samenwerking tussen bonden moest soelaas bieden.
Dat de 'ondenkbare' fusiebond FNV Bondgenoten tot stand is gekomen, heeft ook te maken met de onthechtheid van de bondsbesturen. Vroeger waren dat oud-werknemers uit de eigen sector, opgeklommen van kaderlid tot bezoldigde bestuurders en uiteindelijk geroepen tot het hoofdbestuur. De nieuwe generatie bondsmanagers is vaak rechtstreeks na de universiteit of de sociale academie bij de bond de carrière begonnen. De stijl van leidinggeven is cruciaal voor FNV Bondgenoten. De leden hebben per bedrijfsgroep meer zeggenschap over het beleid en hun CAO-eisen. Maar zij moeten zich wel houden aan de richtlijnen van het bestuur.’
Zo hoopte men de daling van het ledental te stoppen en de vakbeweging een plaats in de nieuwe tijd te geven. Er waren wel kritische geluiden, maar eigenlijk kwamen deze pas tot volle wasdom toen de huidige crisis aangaf dat het kapitalisme minder robuust is dan een tijdje werd gedacht.
 
Wat te doen?
 
Er barstte een discussie los tussen aanhangers van het poldermodel en aanhangers van een activistische vakbond. Want ondanks de crisis weten werknemers nog steeds niet massaal de weg naar de vakbond te vinden. De organisatiegraad blijft maar afnemen. En ook al zijn er relativeringen denkbaar op de officiële cijfers van het CBS, de trend van afname kan niet worden ontkend. Doet de vakbeweging iets fout? Als mensen ernaar wordt gevraagd, geven ze vaak aan (in rapporten van het Sociaal Cultureel Planbureau bijvoorbeeld) dat ze de vakbondsbestuurders redelijk vertrouwen. Daar zit het probleem dus niet.
Kan het tij worden gekeerd door als vakbeweging radicaler op te treden? Sommigen die zich in de discussie mengen, doen dat vanuit de traditie van het vroegere socialisme. Zij zien de vakbeweging vooral als een vehikel om hun idealen van een socialistische revolutie te verwerkelijken. Omdat de massa’s van de arbeiders in de vakbeweging te vinden zouden zijn, moeten socialisten daar ook zijn. Want aldus diezelfde theorie, wie weigert in de grote, gematigde bonden actief te zijn, laat de arbeiders over aan de reactionaire leiding. Uiteraard gaat het hier om een zeer kleine groep binnen de vakbeweging en vaak ook mensen die de discussie vooral van buitenaf voeren, maar op sommige momenten weten zij de trom toch aardig te roeren. Voor hun is het beleid waarschijnlijk nooit genoeg zolang de leiding van de FNV de revolutie niet uitroept. Wordt er een half procent binnen gehaald, dan had dat een heel procent moeten zijn. Accepteren de leden een voorstel van de bondsleiding dan is de opkomst waarschijnlijk te laag geweest. Verwerpen ze met eenzelfde opkomst het voorstel dan heeft in hun ogen de meerderheid een duidelijk statement tegen de bonzen gemaakt. Het is moeilijk kersen eten met deze kleine groep die pas tevreden is als anderen sneuvelen op de barricaden.
Het belangrijkste binnen de vakbeweging lijken mij echter de gewone leden. Zij die niet snakken naar een revolutie maar die wel willen dat hun individuele en collectieve belangen goed worden behartigd. Mensen die in de traditie van de hervormers van rond 1900 de vakbeweging beschouwen als een belangenbehartiger binnen het kapitalisme. Wat kan hun worden geboden? Zitten zij op een Sociale ANWB te wachten of op een vakbeweging die zich strijdbaar opstelt en vanuit de belangen van de leden (of alle werknemers) de grenzen van het haalbare opzoekt? Zoals we hebben gezien is de vakbeweging in de negentiende eeuw ontstaan op beide bronnen. Maar gedurende de afgelopen twintig jaar zijn beide bronnen grotendeels uit het zicht verdwenen. De rol in de sociale verzekeringen is verdwenen; wat nog slechts resteert is een grote rol in pensioenfondsen maar ook die staan onder druk. Daarnaast heeft de vakbeweging sinds Wassenaar ook het strijden grotendeels aan de wilgen gehangen. Dus ja, als je bestaansbronnen verdwijnen dan kun je misschien beter helemaal verdwijnen?
 
Waar ligt de ondergrens?
 
Werkgeversorganisaties en overheid zijn over het algemeen echter heel blij met het bestaan van vakbonden. Daarmee hebben ze een redelijke gesprekspartner en worden allerlei beleidsmaatregelen gelegitimeerd. De werknemers zijn via hun vertegenwoordigers immers akkoord gegaan?
Om die rol te spelen moet de vakbeweging wel aan twee voorwaarden voldoen. Ten eerste moet ze de werknemers daadwerkelijk vertegenwoordigen. Dat houdt in dat de vakbonden optreden namens de werknemers, een mandaat hebben van de arbeiders. De meest gebruikte maatstaf hiervoor is het aantal mensen dat lid is van de bond (de organisatiegraad).  De tweede voorwaarde is voor het functioneren van de Polder waarschijnlijk belangrijker. Namelijk dat de leden of beter de werknemers, niet buiten de bonden om handelen. De vakbeweging moet haar leden in bedwang weten te houden. De vakbeweging moet zich houden aan gemaakte afspraken (weet u nog, dat was een van de redenen dat een deel van het NVV in 1907 de Wet op het Arbeidscontract niet zag zitten) en de leden moeten dat accepteren. Dit punt lijkt in de Polder vanzelfsprekend en daar hoor je niet vaak klachten over. Tegenstanders van de vakbeweging, zij die vinden dat de rol van de bonden in het stelsel van arbeidsverhoudingen veel te groot is, wijzen echter met zekere regelmaat wel op de afnemende organisatiegraad. In de jaren tachtig werd tegen de toenmalige voorzitter van de FNV al gekscherend gezegd: ‘wie vertegenwoordig jij eigenlijk nog?’ En dat geluid is sindsdien nauwelijks verstomd. Want de organisatiegraad is inderdaad al sinds de jaren vijftig dalende en niets of niemand schijnt die daling te kunnen stoppen. Een daling overigens die zich in de hele Westerse wereld voordoet. In de ontwikkelingslanden is de vakbeweging trouwens nog wel een groeisector.
Binnen FNV Bondgenoten zag men in dat het zo niet langer kon. In 2006 werden de eerste vier organizers aangenomen. Hun werkmethode legt de nadruk op zelforganisatie. Zaken collectiviseren en er met zijn allen een punt van maken. Organizers benaderen mensen, leggen contacten, bezoeken ze thuis en zoeken ‘trekkers’ die het vertrouwen van hun collega’s hebben. Het gaat om het idee dat de leden de vakbond zijn. De vakbond is niet een paar mannen of vrouwen met pakken en mantelpakjes die in Den Haag zaken voor de mensen doen. Nee, ‘De bond, dat zijn wij’.
Deze aanpak is ook door andere bonden overgenomen en vooral bekend geworden door de grote en succesvolle stakingen van schoonmakers. Oudere vakbondsleden reageren op organizing nogal eens met de opmerking, dat dit toch eigenlijk niet zo nieuw is. Dat is immers ook hoe zij vroeger met het Bedrijvenwerk aan de slag gingen. Met die opmerking raken zij waarschijnlijk het juiste punt omdat dit precies is waar het enkele tientallen jaren aan heeft ontbroken. Het werken onder en met de leden. In plaats van op steeds grotere afstand.
De hoop dat deze aanpak tot meer leden zou leiden is vooralsnog echter ijdel gebleken. De laatste cijfers van het CBS lieten weer een daling zien. In maart 2013 waren er 55.000 vakbondsleden minder dan een jaar eerder. Het probleem van de afname van de organisatiegraad is vooralsnog niet opgelost. Misschien moeten er ook in dit opzicht nieuwe wegen worden gezocht en is de zoektocht naar nieuwe leden een achterhaald iets? Dat is in ieder geval een vraagstuk waar veel maatschappelijke organisaties zich voor gesteld zien. Niemand heeft wat dat betreft al het ei van Columbus gevonden. Maar het is wel een uitdaging, ook voor de vakbeweging. Want laten we niet vergeten dat de bronnen van de vakbeweging (strijd en onderlinge zorg) jaren op een laag pitje hebben gestaan. Een van de twee zal waarschijnlijk niet meer terugkeren hoewel er wel stemmen opgaan om als vakbeweging weer een rol in de werknemersverzekeringen te gaan spelen. De primaire bestaansgrond van de vakbeweging, het handhaven en verbeteren van de arbeidsvoorwaarden van werknemers, is echter niet verdwenen. De huidige economische crisis heeft in ieder geval duidelijk gemaakt, dat die arbeidsvoorwaarden niet zomaar veilig zijn. Daar is iets voor nodig dat niet op individuele wijze kan worden uitgeoefend. Dat is collectieve strijd en onderlinge zorg. In die zin is de tegenstelling tussen strijdende vakbeweging en een sociale ANWB minder absoluut dan wel eens is gedacht. Beide hebben immers altijd bestaan. Nu kun je via de bond korting krijgen op een vakantie via Kras reizen, vroeger had de bond zijn eigen vakantieoorden. Nu kom je als bondslid in aanmerking voor rechtshulp of assistentie bij het  invullen van je belastingaangifte, vroeger had de vakbeweging daar de Bureaus voor Sociale Adviezen voor.
 
Nawoord
 
Het conflict tussen polderen en strijden, tussen Sociale ANWB en een activistische vakbeweging is geen onoverbrugbare tegenstelling. De vakbeweging heeft beide vanaf het begin gedaan, maar door de ingroei in de Polder sinds de oorlog heeft de vakbondsleiding zich al een paar keer laten verleiden de strijd aan de wilgen te hangen. De telkens terugkerende economische crisissen zorgen er echter voor dat de strijd weer aan mensen wordt opgedrongen waarop de leiding meebuigt. Historisch inzicht in het ontstaan van de vakbeweging zou aanhangers van beide posities misschien kunnen doen beseffen dat beide onderdeel zijn van het vakbondswezen. De een kan niet zonder de ander.
Het probleem van de dalende organisatiegraad laat zich noch met het ene, noch met het andere middel oplossen. Dat heeft de geschiedenis van de afgelopen zestig jaar wel laten zien. Weliswaar steeg de organisatiegraad in jaren dat er meer werd gestreden, maar het peil van tien jaar daarvoor werd nimmer meer gehaald.
Het is een lang verhaal geworden waarvan ik hoop dat mensen er handvatten aan kunnen ontlenen bij hun denken over de problemen van de vakbeweging. De oplossing ligt niet voor het oprapen, maar het inzicht dat de vakbeweging altijd zowel een strijdorganisatie als een dienstverlener is geweest, lijkt me van belang.
 

 

Losse gedachten over het Nederlandse 'racismeprobleem'

Posted on 21 November, 2013 at 7:55 Comments comments (9)
Losse gedachten over het Nederlandse ‘racismeprobleem’
 
De discussie over Zwarte Piet die de afgelopen maanden ons land in beroering heeft gebracht, maakte heel wat emoties los. Ik wil het er nu niet over hebben in hoeverre het bestaan en vooral het uiterlijk van de knecht van Sinterklaas een uiting van racisme is. Maar laten we er voor het gemak even van uitgaan dat het waar is. Hoe kan het dan dat zoveel mensen toch aanstoot hebben genomen aan de opmerking Zwarte Piet is Racisme? Waarom slingerden mensen de meest schandalige opmerkingen (meestal anoniem) de digitale wereld in? Laat dit zien dat Nederland door zijn koloniale verleden en late afschaffing van de slavernij inderdaad een racistische maatschappij is zoals wel wordt beweerd?


Er zijn indringende en wetenschappelijk verantwoorde studies verschenen over racisme. Wat het is, hoe het is misbruikt en hoe het hele samenlevingen vergiftigt. Maar is dat het racisme waar mensen aan denken als ze de term horen? Ik vermoed dat veel mensen racisme associëren met de Holocaust en de poging om de joden fysiek te vernietigen. Of ze denken aan de slavernij zoals we die kennen waarbij werd beweerd dat zwarte mensen inferieur zijn en daarom geschikt voor plantage arbeid zonder rechten. Zou het kunnen dat die mensen daarom niet accepteren dat er over zwarte piet wordt gepraat alsof dat iets met racisme te maken heeft? Voor hun is zwarte piet gewoon een onderdeel van het kinderfeest uit hun jeugd, uit een tijd dat ze de knecht van de goedheiligman echt niet associeerden met slaven met een ketting aan hun been die de hele dag werden afgeranseld. Nog los van de vraag of dat wel een reëel beeld van slavernij is. Slaven moesten immers productief zijn en dat waren ze niet als ze door een ketting werden belemmerd of voortdurend in de ziekenboeg lagen. Maar dat terzijde.
 
Er zijn mensen die het woord racisme in de mond bestorven lijkt. Als jongeren van Marokkaanse of Turkse afkomst bovenmatig werkloos of crimineel zijn, dan komt dat volgens hen door de racistische maatschappij waarin ze leven. Maar zou het ook, al is het maar voor een deel, door hun eigen ideeën of gedragingen kunnen komen? Een paar jaar geleden ging het Rotterdamse havenbedrijf met bussen de wijken in om werkloze jongeren te interesseren voor werk in de haven. De reactie van de meesten? ‘Ja, ik ga dat vuile werk niet doen hoor, daarvoor hebben ze onze vaders toen hierheen gehaald. Mij niet gezien.’ Nee, dan liever werkloos op de bank zitten en chillen. Voor een leidinggevende is het toch niet vreemd dat deze zeker in bepaalde functies liever personeel aanneemt dat een soort van mainstream Nederlands spreekt, niet behangen is met bling-bling en zich gedraagt zoals de meeste mensen verwachten. Ik kom heel veel donker personeel tegen in winkels, bij banken en op televisie,  maar die gedragen zich wel volgens bepaalde bedrijfsculturen. Toen mijn oudste stiefzoon eens op zijn werk kwam met een zelfgemaakte scheur in zijn broek (die zottigheid was toen erg populair…) stuurde zijn baas hem toch ook naar huis.
Nog een voorbeeld. In de jaren negentig had ik een café. Ieder weekend kwamen daar enkele honderden mensen naartoe om te swingen op de laatste hits. En toen ging er iets fout. Groepen jongens van Marokkaanse afkomst vonden het ook wel gezellig, ze dronken een biertje en werden handtastelijk naar vrouwen. Marokkaanse meisjes waren er trouwens nooit bij, die moesten thuis blijven! Het ongevraagd op billen tikken werd niet erg op prijs gesteld en als de dames daar iets van zeiden, werden ze voor hoer uitgemaakt. Dat betekende dus iedere week knokken in de zaak, dalende bezoekersaantallen en minder inkomsten voor de eigenaar. Nou verdenk ik mezelf ervan dat ik niet racistisch ben, dat ik niet denk dat mensen meer of minder waard zijn dan anderen op grond van hun afkomst. Maar geloof me maar dat ik de Marokkaanse cultuur waar die jongens zelf alles mee verdedigden (‘ja dat is onze koeltoer’) als je ze erop aansprak, hartgrondig vervloekte in die dagen. Was ik toch ineens een racist? Maar hoe kan het dan dat ik het wel goed kon vinden met mijn Marokkaanse buren uit die tijd?
 
En nog een voorbeeld. In de jaren tachtig vertrok ik met een vriend naar Senegal om daar een maand lang op de bonnefooi rond te trekken. Toen we ’s avonds laat aankwamen op het vliegveld van Dakar voelden we ons toch wel ongemakkelijk. We waren vrijwel de enige blanken tussen honderden donkere mensen en het was ook nog donker. Dat ons vervolgens door de taxichauffeur een stevige poot is uitgedraaid, namen we maar voor lief. We waren blij in het hotel te zijn. Maakte ons dat racisten? Overigens hebben we daar een heerlijke tijd gehad en kostte door gewenning de taxi terug naar het vliegveld een maand later ongeveer een tiende van die op de eerste dag. Maar wat toen ik een paar jaar daarvoor op het carnaval van Aruba meeliep in een jump-up? Vaag gemompel over makamba en een peuk uitgedrukt op mijn arm. Was degene die dat deed nou een racist of juist een antikoloniale strijder?
 
Er wordt wel beweerd dat mannen vaak een vrouw zoeken die ze op een of andere manier aan hun moeder doet denken en vrouwen een vaderfiguur. Als dat zo is, dan zoeken mensen blijkbaar het bekende op. Dat vinden we fijn en veilig. Zo zal het ook in grotere groepen wel zijn. Daarom is het niet zo gek dat migranten in den vreemde elkaar opzoeken. Of het nou de Turken in Delfshaven of de Nederlanders in Pretoria zijn. Soort zoekt soort nietwaar? Dat is dus een menselijk trekje. Vandaar misschien dat in een land als Suriname de etnische verschillen zo allesbepalend zijn. Toen ik eens een gesprek had met een Surinaamse over racisme, wist zij het zeker: ‘er is geen land zo racistisch als Suriname’. Daarbij vergeleken is Nederland volgens haar een oase.
Nog niet zo lang geleden hokten in Nederland mensen van een bepaald geloof lekker bij elkaar. Katholieken en Protestanten hadden hun eigen scholen, kerken, slagers en geitenfokverenigingen. En toch hadden ze ook een gezamenlijke identiteit want de koepelorganisatie, de Nederlandse staat, zorgde ervoor dat ze elkaar de koppen niet insloegen en er op scholen dezelfde lesstof werd onderwezen. Tijdens de godsdienstles konden dominees tegen hun kinderen zeggen dat de paapse mis vervloekt is of konden priesters aan hun schaapjes de Blasiuszegening geven, maar tijdens taal, rekenen en aardrijkskunde was de leerstof vrijwel identiek. Zelfs tijdens de geschiedenisles werd alle kinderen geleerd dat WE ons hadden bevrijd van de Spanjolen. De staat trad hier op als een scheidsrechter tussen verschillende groepen die elkaar het licht in de ogen niet gunden. In eigen kring konden ze lekker schelden op de papen en ketters, maar eenmaal buiten werd men gedwongen zich te gedragen.
 
Van racisme in de zin van denken dat mensen met een andere culturele of etnische achtergrond minderwaardig zijn, is vrijwel geen sprake meer. Wel kun je een cultuur of land of godsdienst minderwaardig vinden. Persoonlijk denk ik bijvoorbeeld dat een cultuur waar het genitaal verminken van meisjes normaal wordt gevonden minderwaardig is aan culturen waar men dat niet doet. En zo zou ik nog wel een lijstje kunnen opsommen, maar dat wil niet zeggen dat de mensen die dat doen intrinsiek minderwaardig zijn. Ze zijn in dat opzicht een product van hun opvoeding en zouden onder andere omstandigheden ook anders handelen. Zoals de meesten van ons als ze daar waren geboren vrolijk aan het verminken of besnijden zouden slaan…
Toch kunnen mensen zich, ook al vinden ze andere mensen niet minderwaardig, wel eens minder op hun gemak voelen als die anderen in hun omgeving verkeren. Zolang het om kleine groepen of slechts individuen gaat, zal vrijwel niemand er een probleem van maken. 

Er zijn in Nederland altijd zwarte en bruine mensen geweest als gevolg van ons koloniale en slavernijverleden. Die werden dan misschien wel eens met ‘zwarte’ of iets dergelijks aangesproken. Een beetje zoals iemand met rood haar een ‘rooie’ of ‘koppie koperdraad’ werd genoemd of iemand met een kort been een ‘manke’ (en dan heb ik het even niet over de aanduiding ‘zeiloor’). Misschien niet altijd leuk en even fijnzinnig, maar heeft niets met racisme te maken en men leefde gewoon samen.
Sinds de grote migratiestromen van de moderne tijd op gang zijn gekomen, is er iets behoorlijk veranderd. Het gaat niet meer om kleine groepjes of individuen maar om vele honderdduizenden mensen die zich hier hebben gevestigd. Ze namen logischerwijs hun cultuur en gebruiken mee, maar voelden door een aantal redenen weinig noodzaak om zich massaal aan te passen aan hun nieuwe omgeving. Ze zochten elkaar liever op; iets wat door overheden ook vaak werd gestimuleerd. Aanpassingsproblemen noemen ze dat dan in politiek jargon. Maar het leverde ook spanningen op met een deel van de inboorlingen van Nederland.
 
Sommigen zeggen heel makkelijk dat die inboorlingen zich niet druk moeten maken. Het verleden heeft namelijk laten zien dat grote groepen migranten uiteindelijk opgingen in de bevolking en een deel van hun cultuur toevoegden aan de plaatselijke. Het is een kwestie van geduld. Met twee, drie generaties zullen de problemen, die deze slimmeriken wel erkennen, zijn verdwenen. Nou is het bekend dat hooggeschoolden langer leven dan laaggeschoolden maar zelfs deze hooggeschoolde rustzaaiers zullen die periode van twee, drie generaties niet overleven. Wat ze dus in feite doen is tegen de mensen die zich bedreigd voelen zeggen dat ze zich niet druk moeten maken want hun kleinkinderen zullen verlost zijn van die bedreiging. Mooie boel is dat. Ik zou zeggen dat we per direct moeten proberen om die problemen op te lossen en dan kan blijken dat het niet makkelijk is of zelfs onmogelijk maar dat is iets anders dan zeggen ‘gaat u maar rustig slapen, het lost zich in de toekomst wel op’.
 
Maar is Nederland nou racistisch of niet? Worden hier wetten aangenomen waardoor mensen met een bepaalde huidskleur, afkomst of godsdienst (jaja, zo ver gaat het moderne racisme begrip, je mag iemand niets eens meer op zijn geloof aanvallen) willens en wetens worden achtergesteld? Geef me het wetsnummer en ik geloof het direct.
Worden hier mensen met een bepaalde huidskleur, afkomst of godsdienst massaal met kapmessen afgeslacht? Dat is hier op industriële wijze voor het laatst 70 jaar gelden gebeurd. Een verschrikkelijke episode uit de geschiedenis, maar dat is nu niet aan de orde.
Maar Zwarte Piet is toch een uiting van racisme en als mensen dat zo fel verdedigen dan zijn ze toch racistisch? Het gaat hier om de gevoeligheid van een minderheid uit de bevolking die op grond van het verleden (er kan in Suriname niemand meer in leven zijn die de slavernij zelf nog heeft meegemaakt) zich voelt aangesproken door het uiterlijk van een fictief personage die door de meeste mensen juist erg wordt gewaardeerd als brenger van cadeaus. En dat personage wordt dan ook nog eens bestempeld als icoon voor racisme. Nou vind ik dat je in een democratie rekening moet houden met minderheden, maar waarom staat er niemand op tegen de Joker uit Batman die alle witte mensen (de meerderheid in Nederland) als schurk voorstelt?

 









Is hier niet sprake van een overdreven gevoeligheid bij een klein groepje inwoners?  Maar vooral ook, waar eindigt dit? Als we toegeven aan die gevoeligheid dan staat volgend jaar een groep vrouwen op die zich ergeren aan de schuddende blote billen en borsten van de deelneemsters aan het Zomercarnaval; overigens vooral een ‘zwart’ feest. En wat te denken dat op sommige plaatsen de kerstboom geen kerstboom mag heten maar een feestboom om de zielen van moslims niet te krenken? Voor we het weten leven we door dit soort gevoeligheden dadelijk in een volslagen gelijkgeschakelde maatschappij waar geen enkele groep zich meer af en toe ongemakkelijk kan voelen. Willen we dat echt?


Soms vergalopperen mensen zich in de internetdiscussies en de nationale clown Heuckenroth beledigt tijdens een televisieprogramma een Chinees. Maar dat is toch peanuts? Worden er in kringen van Marokkanen en Surinamers geen beledigende termen gebruikt over hun blanke landgenoten? Als zwarte mensen zich beledigd voelen door Zwarte Piet, de knecht van Sinterklaas, hoe beledigd moeten de knechten (arbeiders, werknemers, medewerkers) van ons land zich dan wel niet voelen?

Door de discussies maar vooral ook door de tijd zal zwarte piet ongetwijfeld veranderen. Hij is trouwens al heel erg veranderd sinds ik klein was; hij dreigt niet meer met roe en zak en de meesten praten niet meer in gebroken Nederlands. Een goede zaak, maar dat Nederland met een groot racisme probleem te maken heeft, gaat er bij mij nog steeds niet in. 

Oost-Europese landverhuizers in Rotterdam

Posted on 21 October, 2013 at 1:28 Comments comments (10)
Oost-Europese landverhuizers in Rotterdam
 
 
Namens Historisch Genootschap Roterodamum, waarvan ik bestuurslid ben, gaf ik vrijdag 18 oktober een korte inleiding bij een door Muzikc.nl georganiseerde muziekuitvoering in zaal Pro Rege aan de Oudedijk in Rotterdam Kralingen.
 
De muziek werd verzorgd door het Diagilev Duo


Het motto van de bijeenkomst was: na de Russische revolutie en voor de tweede wereldoorlog zijn veel Oost-Europeanen naar het Westen gevlucht. Rotterdam was een belangrijk knooppunt voor emigranten naar de VS. De Holland Amerika Lijn is er groot door geworden!
 
 


Na een kort inleidend woord van Anne Gercama kon ik van wal steken.
 
Oost-Europese landverhuizers in Rotterdam
 
Het is een bijzonder moment om over Oost-Europese emigranten te spreken. Juist nu er een groot politiek en diplomatiek conflict met Rusland bestaat en er sowieso veel te doen is over migranten uit de zogeheten MOE-landen. Volgens zure mensen komen die mensen uit Midden en Oost-Europa hier onze banen inpikken en nemen ze veel criminaliteit meer. Anderen spreken vooral over de uitbuiting en woonomstandigheden waaronder die migranten hier zijn gehuisvest. De discussie over die naar schatting 350.000 Polen, Roemenen en Bulgaren (waarvan ongeveer 22.000 in Rotterdam) zal ik vandaag niet volgen, het gaat immers over de geschiedenis van de stad. Over die geschiedenis zegt het programma van vandaag ‘Na de Russische revolutie en door de tweede wereldoorlog zijn veel Oost-Europeanen naar het Westen gevlucht. Rotterdam was een belangrijk knooppunt voor emigranten naar de VS. De Holland Amerika Lijn is er groot door geworden!’ Maar is dat ook zo?
 
Laat ik beginnen met het belang van Rotterdam voor de migratie naar de VS vanuit Europa. Natuurlijk denken we altijd dat hier de grootste, de hoogste, de snelste en het beste van iets aanwezig is. Trouwens niet alleen een Rotterdamse eigenschap, maar tamelijk opvallend typeert het heel ons kleine land aan de Noordzee. De werkelijkheid is echter anders. Van alle migrantenvervoer uit Europa tussen 1900 en 1914 ging slechts ongeveer dertien procent via onze stad; er vertrokken veel meer mensen uit Bremen, Hamburg en Antwerpen. Maar goed, die dertien procent vertegenwoordigde wel ongeveer 800.000 mensen.
Maar hoe zit het dan met die reactie op de Russische revolutie? Vluchten die mensen allemaal voor de revolutie? Ook dat klopt niet; de meeste mensen gingen scheep in de jaren voor 1914. In de jaren na de Eerste Wereldoorlog gingen er nog wel mensen vanuit Rotterdam naar de overkant, maar dat was slechts een fractie van de aantallen die eerder gingen. Met de componisten wier werk vanavond ten gehore wordt gebracht, heeft de uitspraak in het programma trouwens ook niet veel te maken. Stravinski was in later jaren weliswaar een bewonderaar van Mussolini maar hij verliet Rusland al in 1910, zeven jaar voor de revolutie. De anderen (Schostakovitch, Silvestrov en Kodaly) verlieten geen van allen hun geboorteland. Eigenlijk alleen Bela Bartok kunnen we aanmerken als een vluchteling naar de VS. Hij vertrok in 1940 echter uit Hongarije uit angst voor de Nazi’s en niet voor de Russische communisten.
In mijn verhaal zal ik me dan ook beperken tot de Oost-Europeanen die rond 1900 wel via Rotterdam de grote oversteek maakten naar het beloofde land. Ze vertrokken vanaf de Koningshaven en later de Wilhelminakade met schepen van de Nederlandsch Amerikaansche Stoomboot Maatschappij (NASM), de latere HAL. Zestigduizend per jaar gingen daar scheep om in New York weer van boord te gaan. Eerst op Castle Garden en vanaf 1892 op Ellis Island. Amerika was populair want tussen de opening en sluiting van Ellis Island in 1954 gingen daar 16 miljoen mensen aan de wal om een nieuw bestaan op te bouwen. Overigens werden er ook wel eens mensen teruggestuurd want Amerika had geen behoeften aan armen, zieken en idioten. De regels voor toelating werden in 1924 alleen nog maar strenger.
 
Waarom verlieten de emigranten Europa?
 
De meeste landverhuizers waren op de vlucht voor politieke onrust en pogroms. Het ging veelal om joden die in Oost-Europa werden vervolgd. Pogroms (een van het Russische woord voor vernietigen afgeleide term) kwamen vaak voor en als ze door de autoriteiten niet werden aangemoedigd, dan toch in ieder geval gedoogd. Er zijn gevallen bekend van orthodoxe priesters die voorop gingen onder de leuze: Dood aan de joden. De regeringen kwam het ook wel goed uit om over de rug van de joodse bevolking onrust over sociale wantoestanden in een andere richting om te buigen. In 1900 kwamen in Roemenie veelvuldig pogroms voor waardoor velen vluchtten. In drie jaar tijd streken ruim 17.000 Roemenen in Rotterdam neer op weg naar de VS. Het land bij uitstek van de pogroms is uiteraard Rusland. Dat leidde ertoe dat tussen 1880 en 1914 ruim twee en een half miljoen joden naar de VS vluchtten. In Rotterdam was het topjaar 1913 met een passage van 82.000 landverhuizers waaronder 44.000 Russen. Maar zij waren niet de eerste landverhuizers die via Rotterdam Europa verlieten.
 
Migratie vanuit Rotterdam
 
Vanuit Rotterdam als havenstad zijn natuurlijk altijd groepen mensen over zee naar een nieuwe bestemming vertrokken. In zijn boek Toen zij uit Rotterdam vertrokken noemt Cees Zevenbergen zelfs de Pilgrimfathers die in 1620 uit Delfshaven de oversteek begonnen. Een beetje vergezocht misschien maar het geeft maar aan dat landverhuizing van alle tijden is. De echte groei begon in de negentiende eeuw toen mensen ook om geloofsredenen vertrokken, maar de economische redenen de overhand kregen. Gelukzoekers zouden we ze tegenwoordig noemen.
Aanvankelijk vertrokken er veel Duitsers vanuit de Maasstad, maar in het midden van de eeuw kwam daar de klad in. Landverhuizers werden door de autochtone Rotterdamse bevolking gezien als wandelende geldzakken die zo snel mogelijk leeg moesten worden geschud. Slechte pensions, onhygiënische omstandigheden en een barbaarse overtocht stonden de Duitsers te wachten. Toen dit eenmaal bekend werd bij onze oosterburen zakte de mensenhandel in. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. De regering kwam daarom in 1861 met wetgeving. In de Wet op het Vervoer en de Doortocht van Landverhuizers werden een paar zaken beter geregeld. Medisch toezicht in verband met de angst voor cholera, tyfus en pokken; bestrijding van luizen en voorschriften voor de voorzieningen aan boord moesten het tij keren. De minimale hoogte van het tussendek waarop de landverhuizers de tocht van elf dagen maakten werd vastgesteld op 1,53 meter (ik zou daar niet rechtop kunnen staan!) terwijl de minimale grootte van de kooi aan boord 1,85 bij 0,5 meter moest bedragen. Ook werd minutieus bepaald hoeveel leeftocht de passanten aan boord dienden te ontvangen. Aardappelen, brood, gezouten vlees, spek, koffie, rijst, gort, meel, erwten en bonen moesten in vastgelegde hoeveelheden worden verstrekt.
De wet moest het tij keren, waarna het toenemende gebruik van stoomschepen en de ingebruikname van de Nieuwe Waterweg ervoor zorgden dat Rotterdam weer aantrekkelijk werd voor landverhuizers. De oprichting van de NASM deed de rest.
 
Het verblijf van de vluchtelingen in Rotterdam
 
De HAL regelde rond 1900 tot ver in Oost-Europa via eigen passagebureaus de verkoop van passagebiljetten. Daarbij inbegrepen was de reis naar Rotterdam met de trein uit Wenen, via Leipzig en Oldenzaal. Als de landverhuizers dan aankwamen op het Maasstation (ongeveer waar nu Tropicana aan een tweede leven begint) of Station Beurs (ter plekke van het huidige Blaakstation maar dan niet zo diep onder de grond) dan moesten ze de tijd tot vertrek van de boot nog zien te overbruggen. Velen kwamen berooid aan omdat ze hun laatste geld hadden uitgegeven aan een ticket naar het beloofde land; iets wat doet denken aan de vluchtelingen die nu bij Lampedusa stranden. Ook moesten ze een bepaald bedrag op zak hebben om in de VS toegelaten te worden. De dagen tot vertrek, gemiddeld vier, waren dus een probleem. Er waren nog steeds dure pensions en de HAL opende op zeker moment een eigen landverhuizershotel maar nog bleef er een groep voor wie dit geen soelaas bood.
De joodse Montefiori Vereeniging tot ondersteuning van behoeftige passanten die vanuit de religieuze plicht (Hachnasas Orchim) geloofsgenoten niet in de steek liet, heeft tot 1914 ongeveer 50.000 mensen opgevangen en verzorgd. Overigens speelde hier ook eigenbelang mee omdat de mensen van Montefiori niet wilden worden geassocieerd met die ‘schooiers’ uit Oost-Europa. Dan kun je ze maar beter uit het straatbeeld halen en onderdak geven. Dat onderdak kregen ze na wat omzwervingen in de Villa Groenendal aan de Westzeedijk. Er bestond nog een organisatie voor steun aan landverhuizers, Elim, maar die had als doelstelling ook en vooral het kerstenen van de joden.
 
Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zakte de passage van Oost-Europeanen via Rotterdam uiteraard in. Het Russisch werd op straat vanaf augustus 1914 heel wat minder gehoord. Daar kwam echter al snel verandering in. Reeds in 1915 kwamen de eerste uit Duitse krijgsgevangenschap gevluchte Russen in de stad aan. In 1918 ging het om ongeveer 3.500 vluchtelingen. Vrijwel uitsluitend mannen. En wat gebeurt er als je zoveel mannen bij elkaar zet? Dat leidt tot vechtpartijen, relletjes en zwangere Rotterdamse meisjes ofwel overlast. En daarmee komen we toch weer uit op de huidige discussie over de migranten uit de MOE-landen. Want hoe reageerde de commissaris van politie? Met de volgende uitspraak: ‘en dat vóór alles den lieden moet worden bijgebracht het besef, dat zij de wetten des lands, waar zij gastvrijheid genieten, en de maatschappelijke orde hebben te eerbiedigen.’
 
 
 
[Pauze
 
Na de pauze viel door een communicatiestoornis mijn tweede praatje in het water. Terwijl ik met de microfoon in de hand de laatste aanwezigen weer naar hun plaats zag gaan, kwamen de dames musici enthousiast de zaak weer in. Stilletjes ben ik toen maar blijven zitten om de concentratie niet te verstoren van de celliste die vervolgens een prachtig stuk ten gehore bracht. Na afloop beloofde de dagvoorzitter de zaal dat deel twee van mijn lezing online zou komen. Bij deze dus.]
 
 
Ze blijven toch niet hangen he?
 
Als er grote groepen migranten of landverhuizers ergens neerstrijken, dan wil de plaatselijke bevolking wel een financieel graantje van deze volksverhuizing meepikken, maar tevens heerst vaak angst dat die mensen niet verder gaan maar zich er vestigen. Dat zien we nu bij de werkers uit de MOE-landen, maar het was niet anders bij de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders in de jaren zestig en zeventig. Ook bij de Chinese zeelui die hier als onderkruipers heen werden gehaald om stakingen van zeelieden te breken, hoopte iedereen dat ze gauw weer zouden ophoepelen. Toen dat niet het geval bleek, probeerde de overheid ze in de jaren dertig te deporteren en nu praat iedereen in Rotterdam trots over het grootste Europese Chinatown dat Katendrecht ooit was. Met de landverhuizers was het niet anders. De angst dat ze zouden blijven komt aardig tot uitdrukking in de bijnaam die de NASM wel kreeg: Neem Alle Schurken Mee. Commentaar lijkt hier verder overbodig.
 
 
Hoeveel landverhuizers zijn gebleven?
 
Dat er landverhuizers op het laatste moment toch niet de boot pakten en in Rotterdam bleven is haast onvermijdelijk. Maar om hoeveel mensen ging dat? Een onderzoek in de gemeenteverslagen en/of het bevolkingsregister kan hier uitsluitsel over geven. Voor deze gelegenheid heb ik echter een andere bron geraadpleegd. Zoals gezegd was een zeer groot deel van de passanten gevlucht voor de anti-joodse sfeer en maatregelen in Oost-Europa. Zoals we allemaal weten is die regeringspolitiek uiteindelijk overgeslagen naar het Westen met een massale moordpartij tot gevolg. Deze sjoah of holocaust heeft ook in Rotterdam zijn sporen nagelaten. Er bestaat een lijst met de namen van alle 6.300 door de Nazi's vermoorde Rotterdamse joden: Kaddisj. In dit boek staan de namen, de geboorteplaatsen, de geboortedata en de plaats van de moord.
Ik ben door de lijst heengegaan en heb alle Oost-Europese geboorteplaatsen genoteerd. Het was nog niet eens eenvoudig om iedere plaats aan een land te koppelen omdat bijvoorbeeld Polen als land tot het einde van de Eerste Wereldoorlog niet bestond. Dat betekende dat Dantzig (dat we nu kennen als Gdansk) bij Duitsland staat en andere Poolse plaatsen in Rusland lagen. Maar goed, als we de lijst bekijken dan valt op dat de meeste mensen in Rotterdam waren geboren. Nog geen tien procent kwam uit een van de landen ten oosten van Nederland (Duitsland 213, Polen 113, Rusland 98, Oostenrijk-Hongarije 29 en nog eens 16 uit andere Oost-Europese landen), in totaal 469. Overigens gaat het bij deze lijst uitsluitend om door de Duitsers vanuit Rotterdam weggevoerden. Dus de joden die al eerder zijn gevlucht of vanuit een andere gemeente zijn afgevoerd staan er niet bij. Maar goed blijkbaar zijn toch honderden niet verder gekomen dan Rotterdam toen ze hun geboorteland verlieten.
Uiteraard is het bestaan alleen al van de lijst Kaddisj verschrikkelijk, maar bij sommige mensen lijkt de verschrikking nog een graadje erger. Zoals bij de paar die in Oswiecim zijn geboren en in Auschwitz vermoord; twee namen, de Poolse en de Duitse voor dezelfde plaats. Dat overkwam bijvoorbeeld Rozalia Kalchmann die op haar 34e naar haar geboorteplaats werd gedeporteerd en vermoord. Bijna hetzelfde overkwam de man die in Breziziny was geboren en nog geen tien kilometer verderop in Oswiecim/Auschwitz zijn einde vond: Abraham Icek Tuschinski.
 
Het leven van enkele blijvers
 
De naam Tuschinski is voor de meesten uiteraard geen onbekende. Vermoedelijk verliet hij zijn woonplaats in Polen om aan de dienstplicht te ontkomen en hij ging op weg naar de VS. In 1904 in Rotterdam aangekomen, besloot hij toch hier te blijven. Hij nam zijn beroep als kleermaker op en ging aan de slag bij de firma Kattenburg waar hij vooral vesten maakte.
Abraham Tuschinski bleek echter een ondernemende geest te hebben en nadat zijn vrouw zich bij hem voegde startten ze in de Nadorststraat een pension voor landverhuizers, Polski. De zaak liep zo goed en Tuschinski was zo modern dat hij 1911 in de nieuwe rage van de rolprenten stapte. Hij opende toen zijn eerste bioscoop, Thalia. Er zouden er nog diverse volgen: Scala, Olympia en Cinema Royal. Ook voor de avantgarde films had hij oog en daarvoor zette hij filmhuis Studio 32 op. De klap op de vuurpijl was het zeer luxueuze Grand Theatre. Alle bioscopen van Tuschinski in Rotterdam gingen in de vlammen van het bombardement van 1940 verloren. Een grote klap voor de man die aan de Rochussenstraat woonde en Nederland niet wilde verlaten toen de barbaarse horden de grens over waren getrokken. Zoals hij over zichzelf zei: 'Hij is in dit land groot geworden, hij wil in slechte tijden geen deserteur zijn.'
Ik herinner me wel eens te hebben gelezen dat Tuschinski tijdens de bezetting een handdoek met de naam van zijn eigen Tuschinski theater op het balkon te drogen hing waarop hij door iemand uit de buurt is verraden. Dit verhaal kan ik niet terugvinden, maar het doet er ook niet zoveel toe. Op 1 juli 1942 is Abraham Icek Tuschinski gearresteerd en via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd waar hij op 17 september wordt vermoord.
De 56-jarige Tuschinski zal misschien wel eens hebben gedacht dat hij misschien beter niet in Rotterdam had kunnen blijven hangen in 1904. Maar hij was niet de enige. Kent u Winston Gershstanowitz, de man met de hagelwitte tanden van RTL Boulevard die ons ook probeert loten voor de Postcodeloterij aan te smeren? Zijn voorvader Herman kwam uit het Poolse Lodz en was niet alleen een zwager van Tuschinski maar ook een zakenpartner. Ook hij stierf in Auschwitz.
Interessanter dan Gershtanowitz is het leven van Joseph Zalmann uit het huidige Roemenië. Tijdens een pogrom had hij gezien hoe zijn halfbroertje met een bijl was afgeslacht. Dat ook zij de grote oversteek wilden maken is dus niet verwonderlijk. Nadat ze in Rotterdam de boot misten, gingen Joseph en zijn vrouw snel naar Amsterdam in de hoop dat daar wel een boot zou vertrekken. In plaats van een goede reder liepen ze daar echter dominee Adler van The London Society for promoting Christianity among the Jews tegen het lijf. Binnen een jaar stapte het echtpaar over van het jodendom naar het christendom en dat niet alleen. Zalmann  zette zich de rest van zijn leven actief in voor de zaak van de bekering van joden. Met dat doel stichtte hij in Rotterdam de Nederlandsche Vereeniging voor Zending onder Israël genaamd Elim, een organisatie die we voor de pauze al zijn tegengekomen. Zalmann heeft gelukkig de holocaust niet mee hoeven maken. Hij stierf in 1924 een natuurlijke dood.
Een andere naam die is verbonden aan de trek vanuit Oost-Europa via Rotterdam is die van Morris Tabaksblatt, de man van de naar hem genoemde code die paal en perk moest stellen aan het aantal commissariaten en nevenfuncties van beurs genoteerde bedrijven. Zijn Poolse ouders ontvluchtten begin jaren dertig hun geboorteland en streken in Rotterdam neer. Overigens waren niet alle landverhuizers joden. Er waren ook mensen met een ander geloof en bijvoorbeeld de katholieken konden rekenen op steun van de Franciscaner pater Mazurowski die zelf ook uit Polen kwam.
Uit de grote stroom landverhuizers begin vorige eeuw kwamen dus ook nieuwe Rotterdammers voort en hoewel velen die ‘schooiers’ toen liever zagen gaan dan komen, heeft de stad er wel bij gevaren dat ze bleven. Misschien een goede reden om minder krampachtig met de MOE-landers om te gaan.
 
Een anekdote ter afsluiting
 
Eigenlijk is de geschiedenis van de landverhuizing een trieste. De mensen waren op de vlucht, werden hier niet echt vriendelijk ontvangen en wat ze aan de overkant van de oceaan te wachten stond, was onduidelijk. Voor we met de muziek verdergaan zou ik om de sfeer weer wat op te vrolijken willen afsluiten met een anekdote.
Vorig jaar was er een dame op televisie in een kunstprogramma, die voor het Tuschinski theater in Amsterdam stond. Ze wist het met grote stelligheid te beweren. Dit prachtige theater was het resultaat van het Amsterdamse mecenaat aan het begin van de twintigste eeuw. De lieverd wist blijkbaar oprecht niet dat Tuschinski in 1921 gebouwd is door een Pools-Rotterdamse zakenman die ook in die andere havenstad centen wilde verdienen. En zo komen de praatjes nou in de wereld.

   

Terugkeer naar negentiende eeuw?

Posted on 15 September, 2013 at 17:19 Comments comments (84)
De groei van de flexibilisering
 
Op 14 september vond een reünie plaats van leden van de KWJ Beweging van Werkende Jongeren die in de jaren zeventig en tachtig in Leiden zeer actief waren. Omdat ik in die tijd als linkse student zijdelings betrokken was bij de KWJ vroegen de organisatoren mij een lezing te geven met als onderwerp De groei van flexibilisering. Het middagprogramma stond namelijk in het teken van de Flexibilisering van de arbeidsmarkt, een verkenning van de problemen met voorbeelden van oplossingen.
 
Uiteraard heb ik direct gehoor gegeven aan dat verzoek, maar hoe moest ik het onderwerp aanpakken? Als historicus naar het probleem kijkend is de verleiding groot om een vergelijking te trekken tussen de huidige flexibilisering en de negentiende eeuw toen veel arbeiders dagelijks werden aangenomen en ontslagen en de arbeiders met een contract ook zomaar op straat stonden. Zoals een handdrukker van de Leidsche Katoenmaatschappij in 1890 vertelde: ‘In 1884, toen het zeer slap was, zeide de baas, als ’t werk afgeloopen was: ik heb niet meer, en dan kon men gaan.’ Die vergelijking leeft breder zoals bleek uit een opmerking op Facebook. Nadat ik daar meldde bezig te zijn met het voorbereiden van mijn lezing, suggereerde een van mijn fb-vrienden: “van dagloner tot dagloner -opkomst en ondergang van 150 jaar arbeidersbeweging-” is dat een titel?
Al denkend sloop er toch wel onzekerheid bij mij binnen. Is de huidige flexibilisering echt te vergelijken met de situatie van een eeuw geleden? Is het nu mensen terug kunnen vallen op een uitkering weer net zo erg als toen? Gingen er in onze eigen kringen in de jaren tachtig niet stemmen op dat iemand die veertig jaar bij dezelfde baas bleef werken eigenlijk ‘het doodschoppen niet waard’ was en dat zo’n bestaan in handen van dezelfde kapitalistische uitbuiter toch in ieder geval geen levensdoel mocht zijn?
 
Voor mijn lezing heb ik toch maar eens een kort overzicht van de geschiedenis geschetst. Het enige wat in de negentiende eeuw was geregeld op het gebied van de arbeidscontracten waren twee artikelen in het Burgerlijk Wetboek over de Huur van Dienstboden en Werklieden. Een van die twee artikelen luidde: ‘De meester wordt op zijn woord, des gevorderd met eede gesterkt, geloofd’ in loonconflicten. Aan het eind van de negentiende eeuw groeide onder druk van de opkomende arbeidersbeweging de opvatting dat de arbeiders bescherming moesten krijgen bij het afsluiten van een arbeidsovereenkomst. De artikelen in het Burgerlijk Wetboek moesten daarom worden aangepast aan de moderne tijd. Over die veranderingen is ongeveer vijftien jaar politieke discussie gevoerd en uiteindelijk werd het wetboek in 1907 aangepast. Waar het vooral op neer kwam is dat nu in de wet werd opgenomen dat een arbeidsovereenkomst slechts kon worden opgezegd als een bepaalde opzegtermijn in acht werd genomen. Dus zo maar aan de kant zetten zoals de arbeiders van de Katoenmaatschappij in 1884 overkwam, daar moest een eind aan komen.
Dat leek een hele vooruitgang maar toch was binnen de arbeidersbeweging niet iedereen enthousiast over de Wet op het arbeidscontract zoals die paar bepalingen in de dagelijkse omgang werden genoemd. De radicale leden van het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS) vonden ieder contract sowieso maar ‘scheurpapier’, maar ook de leden van het gematigder Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) waren niet allemaal enthousiast. Een aantal bonden richtte zelfs een actiecomité tegen het arbeidscontract op. Het grote gevaar dat NAS en de genoemde delen van het NVV zagen opdoemen, was dat door het afsluiten van wettelijk ondersteunde contracten de angel uit de strijdmogelijkheden van de vakbeweging werd gehaald. Tijdens een CAO bijvoorbeeld spreken de partijen af dat er niet zal worden gestaakt.
Toch werden er steeds meer CAO’s afgesloten en ook dat werd in een wet geregeld. De wet van 1927 op de CAO en de wet van 1937 op het verbindend verklaren van een CAO werden door de grote stroming binnen de vakbeweging als een overwinning gevierd. De macht van de in de vakbeweging verenigde arbeidersklasse kwam volgens de vakbondsleden in deze wetgeving tot uitdrukking.
Eind jaren dertig werd er een onderzoek verricht naar de gevolgen van de wet op het arbeidscontract. Wat bleek? De interpretatie van de ontslagtermijn die in acht moest worden genomen bij ontslag was soms wel heel ruim. Termijnen van een dag of een uur kwamen voor. Zo had de wet natuurlijk nauwelijks een beschermende functie voor de arbeiders.
 
De Nazi’s wisten hier tijdens hun bezetting van Nederland wel raad mee. In 1943 voerden zij het tweezijdig ontslagverbod in. Arbeiders mochten niet zomaar ontslag nemen en Ondernemers mochten hun personeel niet zomaar meer ontslaan. Beide partijen moesten hiervoor toestemming vragen bij een overheidsinstelling. Toen de Duitsers waren verslagen en Nederland een heel nieuw systeem van arbeidsverhoudingen kreeg, veranderde er een ding niet. Het tweezijdig ontslagverbod bleef in stand. Dus de arbeiders waren nu wel beschermd tegen willekeurig ontslag, maar ze konden ook zelf niet zomaar meer ontslag nemen. De woorden slavernij en horigheid zijn hier niet op hun plaats, maar dat er van een bovenmatige dwang sprake was lijkt me zonneklaar. Maar ja, alles voor de economische groei. Want dat was het argument waarmee de Nazi-maatregel in stand werd gehouden. Evenals de geleide loonpolitiek waardoor de Nederlandse arbeiders in 1957 tot de slechts betaalde van Europa behoorden.
De na-oorlogse periode was er niet alleen een van staatsmacht over de economie. Diezelfde staat zorgde ook voor een uitbouw van de verzorgingsstaat. Werkloosheidsuitkering, AOW, WAO, Bijstand en ga zo maar door. Alles om te voorkomen dat de arbeiders weer in opstand zouden komen en misschien zelfs aan revolutie zouden gaan denken zoals ze ook na de Eerste Wereldoorlog al hadden gedaan. Er heerste in de meeste landen en dus ook Nederland overeenstemming dat de overheid een grote rol had in het tevreden houden van de bevolking om zo crisis en verzet te voorkomen. Maar aan die consensus kwam een eind.
Toen in de jaren zestig en zeventig overal toch opstanden uitbraken (weet je nog, Parijs 1968) en de arbeiders nog steeds niet tevreden bleken te zijn en telkens meer eisten (in Duitsland schreef men op de muren Wir Wollen Alles) kwam er een kentering. Afgelopen week was er veel aandacht voor 9/11, maar die dag was ook de herdenking van een andere 11 september toen veertig jaar geleden Pinochet in Chili de macht greep. Dat was het grote keerpunt. Daarna volgden Van Agt (weet je nog de grote demonstraties tegen Bestek ’81), Thatcher, Reagan en Lubbers (verlaagde de uitkeringen en ambtenarensalarissen met 3,5 procent). Het was afgelopen met de sociale verzorgingsstaat. Thatcher zei het al, er bestaan alleen individuen en gezinnen maar de samenleving als zodanig bestaat niet.
Diverse sociale arrangementen werden verslechterd. Zo ging de WW van 80 naar 75 procent van het laatstverdiende loon en werd ook de uitkeringsduur verkort. De vakbeweging stond met de rug tegen de muur en liet zich ertoe verleiden om meer te polderen dan te strijden. Daarmee verloor ze voor veel mensen aantrekkingskracht. Mensen zagen wel dat de vakbeweging veel goed deed, maar het was toch vooral een club van bestuurders dus waarom zou je lid worden?
Met het vallen van de Muur in 1989 gingen alle remmen los. Nu was er geen enkel alternatief meer voorhanden voor ontevreden arbeiders. Dat was toch iets waar de machthebbers in het Westen tijdens de Koude Oorlog altijd voor hadden gevreesd. Dat hun eigen arbeiders het Sowjet-systeem als een reëel alternatief zouden zien. Nu het was geïmplodeerd hoefden ze daar niet meer bang voor te zijn. Het neo-liberalisme voelde zich nu oppermachtig.
Er was geen alternatief meer, de vakbeweging was krachteloos en een groot deel van de sociaal-democratie hing zijn ideologie aan de wilgen en vond ook dat mensen vooral voor zichzelf moeten zorgen. Was de sfeer in de jaren zestig nog dat arbeiders die voor een tientje meer naar een andere baas wilden eigenlijk asocialen waren, nu werd het jobhoppen gepromoot. Geen baan meer voor het leven.
De EU speelt in dit alles ook een grote rol. Volgens de Lissabon agenda en het latere EU2020 moet Europa de meest concurrerende economie worden om de strijd met China en de VS vol te kunnen houden. In dit kader is ook een flexibele arbeidsmarkt gepromoot. Niet omdat werknemers dan makkelijk van baan kunnen switchen op weg naar hoger loon, maar omdat werkgevers dan makkelijker mensen kunnen ontslaan om de concurrentie beter aan te kunnen. In tien jaar tijd is in Nederland het aantal mensen met een flexibele baan gestegen van 12 naar 16 procent en het aantal ZZP’ers van 8 naar 10. De meeste mensen hebben nog steeds een vaste aanstelling, maar dat percentage is uiteraard gedaald.
Uit recent onderzoek van het CBS en TNO blijkt dat veel mensen met een flexibele aanstelling hier wel tevreden over zijn. Het sluit vooral bij veel vrouwen aan bij hun persoonlijke leven. Ook is het niet zo dat flexwerk slecht is voor de gezondheid wat wel eens wordt gedacht. Wie vooral de dupe zijn van flexibilisering dat zijn de laaggeschoolden en ondernemers gebruiken flexibilisering momenteel vaak om de gevolgen van de crisis op hun personeel af te wentelen. Daar moet iets aan worden gedaan.
De huidige regering van Rutte en Samson sluit zich blindelings aan bij het streven naar flexibilisering. Zoals ze zelf schreven: ‘Flexibele arbeid is belangrijk voor een goed functionerende arbeidsmarkt en economie. Flexibele arbeid mag echter niet verworden tot een goedkoop alternatief voor werk dat beter door vaste werknemers gedaan kan worden. De rijksoverheid zal op dit punt het goede voorbeeld geven’. De flexibilisering zou worden bevorderd door een maximale ontslagvergoeding wat het goedkoper maakt voor ondernemers om van hun personeel af te komen. Inmiddels sloten werkgeversorganisaties en vakbonden in april een sociaal akkoord waarin deze maatregel is teruggedraaid. Ook spraken de ondertekenaars zich uit voor het beperken van flexcontracten en een verbod op nulurencontracten.
 
De soep wordt dus misschien niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Maar ik zat bij het voorbereiden van mijn praatje nog steeds met een probleem. Is flexibilisering nu alleen een ramp en terugkeer naar de duistere negentiende eeuw? Het grote verschil met toen lijkt me toch dat er tegenwoordig uitkeringen bestaan die de ontslagen arbeider niet ineens brodeloos laten zijn. En is de beroepsbevolking ook niet enorm veranderd in vergelijking met dertig jaar geleden? In mijn tijd werkten studenten over het algemeen in de vakantieperiode, maar tegenwoordig werken ze bijna allemaal het jaar door. Maar dat willen ze dan toch geen veertig uur? En de herintredende vrouwen die zelf parttime of flexibel willen werken? Dus nee fb-vriend 1, er is geen sprake van nieuwe dagloners. Een andere vakbonds fb-vriend wees trots op de Ketenregeling die bestaat waardoor kort durende arbeidsovereenkomsten niet eindeloos herhaald mogen worden maar na drie keer automatisch voor onbepaalde tijd zal gelden. Het lijkt me dus dat er geen sprake is van een terugkeer naar de negentiende eeuw. We kunnen ons zelfs afvragen of werkgevers en rechtse politici daar wel belang bij zouden hebben. Een uitkleding van de regelingen? Ja daar staan ze pal voor, maar volledig afschaffen met alle sociale strijd die dat tot gevolg zou kunnen hebben?
Sterker nog, ik denk dat het een teken van de macht van de vakbeweging in Nederland is dat er weliswaar versoberingen zijn maar dat van totale afbraak geen sprake is. Laten we in ieder geval ook blij zijn dat arbeiders met inachtneming van een opzegtermijn ontslag mógen nemen. Dat is wel eens anders geweest toen de Nazi's aan de macht waren en de Keynesianen van vlak na de oorlog. Maar eerlijk gezegd weet ik het niet helemaal precies en dat heb ik tijdens mijn praatje ook geprobeerd duidelijk te maken. De bezuinigingen en veranderingen zijn duidelijk en strijd daartegen is nodig. Maar laten we tegelijk proberen om nieuwe wegen te zoeken en niet in een hoekje gaan zitten jeremiëren alsof er een ramp over de mensheid komt. Dankzij de strijd van linkse partijen en de vakbeweging zijn de huidige loontrekkers heel wat beter af dan hun voorgangers een eeuw geleden en ondanks zo nu en dan een tijdelijke terugslag, ben ik optimistisch over de toekomst.  Maar ja, als vrijwillig ZZP’er heb ik misschien wel makkelijk praten.
 





 

Waar komt Israël fobie vandaan?

Posted on 7 August, 2013 at 12:30 Comments comments (5)
Sommige zaken staan voor bepaalde mensen vast. Die geloven in eeuwige waarheden of passen zich in ieder geval naadloos in in de gebaande wegen. Daar probeer ik los van te komen. Op deze plaats zal ik eens in de maand een blog plaatsen over iets wat me bezig houdt en waar ik niet meer precies van weet, wat ik ervan moet vinden. 

De eerste berichten over een mogelijk spoedig overlijden van Mandela waren nog nat of ik ontving al een hartenkreet dat Israël niet beter is dan Zuid-Afrika ten tijde van de Apartheid. Een normaal mens vraagt zich dan af of die mensen niets beters te doen hebben gegeven de omstandigheden. Een mooie necrologie schrijven van Madiba bijvoorbeeld, of analyseren waar het toch ook wel een beetje mis is gegaan met Zuid-Afrika van na de Apartheid. Maar nee, het Zionisme moet eraan geloven. Dat is immers de grootste vijand van de menselijke beschaving, nietwaar? Hoe is dat toch zo gekomen.

Toen ik op de middelbare school zat, brak de zesdaagse oorlog uit. Dat was dus in 1967 en ik kan me nog heel goed herinneren dat iedereen de jonge en moedige staat Israël steunde. Geen sprake dat iemand zou opperen dat die Arabieren misschien toch ook wel een beetje gelijk hadden. Nee, dat gevoel is van later datum. In 1968 konden we in Het aanzien van 1967 nog lezen dat het geschreeuw van Nasser en het gehits van de Verenigde Arabische Republiek hadden geleid tot een aanval door Egypte, waarbij een menigte in Caïro de dood van alle joden eiste. De nederlaag voor de Arabieren was zuur: 'De vijand had zelfs geen klaagmuur meer om bij te huilen.' Net goed, lekker puh!
Langzaam veranderde er iets. Het aanzien van 1970 werd gesierd door een foto van Leila Khaled, een knap meisje met een Palestijnen sjaal. Op een of andere manier vonden we het (vergeef me de uitdrukking, ik was toen 16) wel een lekker wijf. En dat aanslagen op vliegtuigen werden gepleegd met tientallen doden tot gevolg, dat accepteerden we ook. In mijn kringen van toen was individuele terreur eigenlijk al honderd jaar afgezworen als strijdmiddel, maar voor de Palestijnen maakten we een uitzondering.
In de jaren daarna groeide in de hele westerse wereld de sympathie voor hun zaak. Ze zaten nu immers na ruim twintig jaar nog steeds in kampen en ze wilden terug naar hun eigen land Palestina. Inmiddels zijn we alweer veertig jaar verder en het is probleem nog steeds niet opgelost. De hele geschiedenis van de verdrijving/vlucht van de Palestijnen, de op zijn zachtst gezegd vreemde rol van de buurbroederlanden die ruimte genoeg hadden om de Palestijnen als burgers op te nemen maar dit niet deden en de rol die de regio speelt in internationale machtsverhoudingen kan me even gestolen worden.
Neem van mij maar aan dat de meeste Palestijnen van nu niet willen terugkeren naar hun geboortegrond. Ze willen naar de geboortegrond van hun ouders of grootouders. Door de Tweede Wereldoorlog zijn er echter zoveel volkeren op drift geraakt die never nooit meer naar hun vooroudergrond terug kunnen. Zo heb ik een vuistdik boek over Die Vertreibung der Deutschen op de plank staan over Duitssprekenden die tegen hun zin zijn 'verhuisd'. In eigen land hebben we de Molukkers die voor een deel vasthouden aan hun RMS, maar waarvan de meesten gewoon zijn geïntegreerd. Of de Indo's, die zijn ook niet voor hun plezier hierheen gekomen. Voor Palestijnen lopen sommigen zich echter het vuur uit de sloffen en de grote demon Israël is voor velen het voorbeeld van het ultieme kwaad.
Nu zie ik ook wel dat er heel wat mis is in Israël. Evenals alle landen die eromheen liggen staat de scheiding van kerk en staat nog in de kinderschoenen. Het keiharde optreden van het leger tegen Palestijnse demonstranten roept vraagtekens op en de bouw van de Muur verdient ook geen schoonheidsprijs. Maar bekijk het eens anders, in welk land in die regio zou een openlijke homoseksueel zich kandidaat kunnen stellen voor het burgemeesterschap van een grote stad zoals nu in Tel Aviv het geval is. Trouwens in welk Arabisch land kan iemand zich zomaar kandidaat stellen voor zo'n functie? In welk ander land aldaar kan het optreden van het leger door het hooggerechtshof worden afgewezen en bestraft zoals in Israël gebeurt? Het is moeilijk te meten, maar hoeveel mensenlevens zijn er al gespaard juist door die Muur?
Eigenlijk zie ik, als ik naar Israël kijk, een Westers land, waar de inwoners erg lijken op ons Europeanen. Er zijn landen en regimes die heel wat verder van ons afstaan en ook een heel wat misdadiger beleid voeren. Maar waarom pakken we Israël dan zo hard aan? Waarom verwijten we dat land een apartheidspolitiek te voeren hoewel Arabieren daar gewoon in het parlement kunnen worden gekozen? Is de apartheid niet veel groter in de Golfstaten waar het Aziatische personeel echt in alle opzichten tweederangs mensen zijn? Maar daar hoor je niet veel over. Omdat Aziaten minder waard zijn? Of omdat je nu eenmaal niet anders kunt verwachten van Arabieren? Die Israëli's zijn net als wij, dus die moeten het spel wel netjes spelen. Speelt hier een rol wat Freud al noemde het narcisme van de kleine verschillen? Hoe meer mensen als volk op elkaar lijken, hoe groter hekel ze aan elkaar hebben. En dat is dus eigenlijk een vorm van zelfhaat.

Wat het ook precies is, ik weet wel dat ik er steeds meer moeite mee heb om de Israël fobie van sommige mensen te volgen.




Rss_feed

0